vorige pagina

POËZIE ONTDEKKEN MET REINE WELLENS, woensdag 28 februari 2001

Octavio Paz geeft de toon aan van deze namiddag :

"Het gedicht, de muziek, het theorema

het zijn onbesmeurde aanwezigheden geboren uit de leegte, (¼ )

hun duistere symmetrie beheerst de chaos".

Vanuit de leegte proberen we door het woord greep te krijgen op de werkelijkheid.

"Het irreële woord maakt de stilte reëel"¼ elk woord is eigenlijk irreëel.

Bij drie dichters horen we hoe de val van Icarus, zoals die door Breughel werd geschilderd, hen inspireerde.

W.H. Auden, na een bezoek aan het museum te Brussel, begint met

"Van lijden kenden ze wel wat,/ de oude meesters : hoe goed verstonden ze/

zijn menselijke context :hoe het plaats grijpt

terwijl een ander aan ’t eten is of een venster opent"

" In Breughels Icarus, bijvoorbeeld : hoe alles zich vlotweg afwendt

van de ramp; de boer heeft misschien/ wel de plons gehoord, de verlaten schreeuw,

maar voor hem was het geen erge mislukking ; de zon scheen"

Breughel was een Renaissance-mens, een individualist, maar met diep mededogen. Dit is een schilderij van menselijke eenzaamheid, ieder is met zijn eigen leven bezig en kijkt weg van het verdriet van anderen¼ alsof er niets gebeurde "the saving lie", noemde Ibsen het.

"Ik wil en kan niet begrijpen ik wil

naar huis, de koeien melken, eten /en vergeten wat ik zag (¼ )

Het ergste is als zelfs vergaan/ al stilgeschilderd is.", aldus Judith Herzberg.

Heel anders ziet Hugo Claus Icarus "Hij lachte naar zijn vader, verraderlijk/ En vloog te dicht bij de zon, zijn moeder,/en vloog in de hitte van haar onmetelijke lippen / wou haar warmte niet schuwen,/ wou zich begraven in haar wijde, laaiende haren."

Dit is de levensdrift zonder schaduwzijde, de spanning -Eros (de zon) het mateloze leven, trekt omhoog, de dood (thanatos)trekt omlaag. "Overmoed? Wanhoop?" dat is leven "Hij lacht."

Ook Wislawa Szymborska denkt aan Breughel: "In het landschap van de oude meester/ leidt het paadje zonder twijfel ergens heen/(¼ ) / Ik ben die vrouw daar onder de es./ Kijk goed (¼ ) hoe ik in het lot van iemand anders paradeer/ en vrij van levende geheimen rust./ Ook al zou je me roepen, ik zou je niet horen/ en ook al zou ik het horen, ik zou me niet omdraaien,/ en ook al zou ik die onmogelijke beweging maken,/ nog zou je gezicht dat van een vreemde lijken."

Zij is nog gelovig "God kijkt nog neer op het kruintje van mijn hoofd", "Ik gebruik geen wanhoop,/ ze is me vreemd, ze is alleen om te bewaren aan mij toevertrouwd.". Maar ze is al even eenzaam en kan maar leven als ze geen oog heeft voor anderen: "ook al zou je me in mijn ogen kijken, / ik loop je voorbij, langs een afgrondrand nog dunner dan een haar.".

In ’Het korte leven van onze voorouders’ zegt ze "Slechts weinigen haalden de dertig (¼ )/ De tijd zo royaal voor elk sterretje aan de hemel, stak naar hen een bijna lege hand uit/ en trok deze snel terug, alsof hij er spijt van kreeg".Alleen het onmiddellijke : "Ze telden hun netten, potten, hutten, bijlen (¼ )Er was geen ogenblik te verliezen, geen vraag die uitstel duldde". Ook Szymborska vertolkt het gevoelen dat het niets baat teveel na te denken, als je maar overleeft en beseft "Goed en kwaad – ze wisten er niet veel van, maar alles:/ wanneer het kwaad triomfeert, blijft het goede verborgen,/ openbaart het goede zich, dan ligt het kwaad op de loer."

In een gedicht kort na de dood van zijn vriend Herman de Coninck zegt Rutger Kopland op zijn eenvoudige manier "Herman, ik had je nog een kaart willen schrijven,/ zo’n lullige ansicht, voorzien van een grap" en dan volgt zijn inzicht in poëzie "zonder de dood te verwachten/ schrijf je geen poëzie (¼ ) /Poëzie was geluk, het geluk om een paar woorden/ te vinden die even bij elkaar wilden horen/voor de dood ons kwam halen." (denk aan Octavio Paz in De boog en de lier). Maar leven is slechts mogelijk voor wie luchthartig, over de dood heen, kijkt op de lullige kaart :"Ik bedoel, ik leef gebogen over die kaart/(¼ )zo’n veel te blauwe hemel :Happy days in Greece". Ieder vindt op zijn manier zijn ‘saving lie’, al is het maar een grap of een banale kaart.

En we gaan op vakantie naar het Griekse eiland Chaos in het dorp Krisis, helemaal verlaten, volgens de folder.. "We lazen dat het eiland wordt geprezen/ om zijn zeer diepe rust,/ de laatste bewoners worden zelfs/ gelukkig genoemd onder hun plataan.(¼ )./ We zitten op de kade/ iedere dag/ en aan onze voeten ligt een van de honden/ iedere dag, bang dat we weggaan¼ " In simpele tekens ontdekken we waar we werkelijk staan.

donderdag 4 oktober 2001

Vandaag begeleidt Mevrouw Wellens voor de derde maal een cyclus om met ons poëzie te ont-dekken. In het gedicht, zo zegt zij, legt de auteur een verhoogd ervaringsmoment vast. Wie het gedicht leest kan delen in de ervaring van geluk van de dichter of kan in verlies en verdriet zielsverwantschap ervaren. Dat kan…als men hoort wat niet wordt gezegd, als men leest tussen de regels, als men het beeld doorziet en daarachter het thema weet te lezen. De lezer daalt af van het glanzend oppervlak van de dingen naar de eenzaamheid en beslotenheid van de beleving. Vandaag lezen we Ida Gerhardt, waarschijnlijk de grootste Nederlandse dichteres van de 20e eeuw.

In ‘Onvervreemdbaar’ horen wij hoe zij zoekt naar ‘de tijdelozen’, de grote auteurs:

"Dit wordt ons niet ontnomen:lezen,/ en ademloos het blad omslaan,/ ver van de dagelijksheid vandaan.(…) Die lezen…wenkt een wereld waar de groten, / de tijdelozen voortbestaan./ Tot wie wij kleinen mogen gaan;/ de enigen die ons nooit verstoten." Dat is het verhaal van Gerhards leven. – We delen onze kennismaking in vijf fasen in.

-rondom moeder

‘Het gebed’ : "Driemaal per dag, naar vaste wetten,/ nemen zij de eigen plaatsen in,/ en gaan zich rond de tafel zetten;/ van haat eendrachtig : het gezin./De vader heeft het mes geslepen,/de kinderen wachten, wit en stil.De moeder houdt haar bord omgrepen/ alsof zij het vergruizelen wil.(…)/ de disgenoten…geschikt tot een onzichtbaar kruis" : star, gesloten gezin waarin zij opgroeit.

In ‘Sonnet voor mijn moeder’ "Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen./ Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant./ Wij horen in dit stormbevochten land/ van kavels, tussen dijk en stroom geslagen. (…)/ Ik ben genezen van het bitter kwaad./ En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:/ van mijn talent de donkere moedergrond." In de natuur wordt zij bewogen (water, storm, dieren). In moeder erkent zij de oorsprong van haar dichten.

Wanneer moeder zich verdrinkt in de stroom, schrijft zij een objectief ‘Radiobericht’ : "Te Grave beneden de sluis…/mag mij het water sleuren/ ‘Wij geven de waterstand’/ O God hoe kon, het gebeuren -/ gesloten het venster, de deuren,/ gebannen uit liefde en huis. (…)" Grave is moeders graf geworden…en is tevens teken van hoop : "Grave, dat is groen land/ en water, dat draagt mij thuis." Maar in ‘Forlorn’ zegt zij :"Ik kan niet vinden waar gij zijt,/ noch waar ik zelf ben in pijn."

-rondom vader en taal

‘In memoriam patris’ een intens samen beleefd moment "Mijn vader heeft de waterlaarzen aan/ Wij zijn samen de Lekdijk afgekomen./ Ik ben voor mijn verjaardag meegenomen :/ hij moest vandaag bij het gemaal langs gaan./ Gemaal : dat is je vader horen noemen/ de vreemde woorden van een andere taal ( …) ’Dat is een man, daar kun je staat op maken’(…) Geen noodweer en geen wereld kan mij raken…" : vertrouwen dat zij aan vader dankt, besef dat hij haar taal verruimt. Taal in haar leven is een nieuw thema dat nauw met vader verbonden is, hij openbaart de wereld via de woorden. (Vader was leraar en hoofd van het gemaal, d.i. het polderbeheer)

In het gedicht ‘Biografisch’ belijdt zij haar roeping t.a.v. taal :"De taal slaapt in een syllabe/ en zoekt moedergrond om te aarden./: Vijf jaren is oud genoeg./ Toen mijn vader, die ik het

vroeg,/ mij zeide : ‘dat is een grondel,’/ -en ik zàg hem, zwart in de sloot-/ legde hij het woord in mij te vondeling, /open en bloot./ Waarvoor ik moest zorgen,/ met mijn leven moest borgen:/ tot aan mijn dood." Vader spreekt en zij ziet; zoals de grondel zoekt zij de moedergrond. Vader legt het woord in haar en voor die vondeling moet zij zorgen. Zij wordt moedergrond voor vele woorden…

- eenheid natuur-mens-natuur

‘Dageraad’ : "Ik zag een kalfje bij de moeder drinken,/een stille handeling die hier nog mag./(…) bevreesd waadde ik weg van wat ik zag." Het gebeuren zo open en toch in schroom van intimiteit gehuld "half slapend in dit drinkend te verzinken". In dit tafereel ("dat hier nog mag") beleeft zij de verharding en kilte van de veranderende wereld. Zij trekt een miniem gebeuren in de natuur open naar de kosmos en de mens. Met één woord slechts, ‘bevreesd’, spreekt zij uitdrukkelijk over haar persoonlijke gevoelens bij een beeld dat veel oproept.

Zo mogelijk nog meer direct ontroerend en tegelijk op dieper niveau de eenzaamheid van de mens, "zelfs nu gij bij mij zijt", openleggend zijn de gedichten over een "zwaluw, aan het venster doodgevlogen" of over de sneeuwhaas geschoten en "bloedend tussen het groene koren " en klagend met een kinderstem, die het lot van onschuldigen oproept :"Wier zuivere staat men moest verstoren/ hoe, in den dood, geleekt gij hem".

- klassiek

Als lerares las zij met haar leerlingen de Phaedo van Plato, dialogen over onsterfelijkheid. Een anecdote inspireert haar het gedicht ‘Psychè’. Zij had uitgelegd hoe psychè in het Grieks zowel ziel als vlinder betekent, de vlinder die uit de cocon, een schijn van leven, ontsnapt en naar het echte leven vliegt. Toen ritselde een dagpauwoog aan het raam van de klas.

"En ieder zag/ de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;/ de ogen waar het aetherblauw in brandt Ten laatste…bracht hem een jongen weg. Onaangerand,/ zei hij , was hij ontweken naar het blauw."

We voelen hier eens te meer de sensibiliteit van Gerhardt die het tafereel vertelt en daarin als diep religieus mens haar overtuiging laat zien : de mooie aardse dingen en wezens zijn schijn en leven is daaruit opstijgen "ontweken naar het blauw".

In ‘Het beloofde land’ vinden we , met in filigraan bijbelse allusies, thema’s die we al tegenkwamen. Nogmaals een tableautje: "Een koopman met een tros ballonnen/ riep op de Dam:’wie maakt me los?’/ Een man werd door zijn roep gewonnen/ en kwam en kocht de hele tros.(…) / En zonder te weten wat hen trok" vormden omstanders een kring, zeer stil. Die hem kocht trok de koorden van de ring : "En dansend was hij al ontstegen,/ die van ons ieder medenam/ wensen een leven lang verzwegen," Het gedicht eindigt met het woord ‘de druiventros van Kanaän’. Het is als een liturgisch lied over het losmaken uit de beklemming, een bevrijding (de cocon), afscheid, in vreugde opstijgend naar het eindeloze, realisatie van ieders onuitgesproken wensen, het beloofde land.

In nog andere, korte gedichten (Moerdijk, Verwachting, Na de vloed…) spreekt zij haar verlangen uit naar het licht, "het raadsel van de hoge ouderdom : het prijsgegeven zijn en alreeds vrij./ Het raken aan de zomen van het licht."

Eens te meer was deze namiddag voor ons een intense beleving van wat de sterke poëzie van Ida Gerhardt uitdrukt.

Jan Van Nuland

vorige pagina