beginpagina

vorige pagina

Poëzie

POEZIE ONTDEKKEN MET REINE WELLENS, woensdag 16 januari 2002

In de poëzienamiddag van november waren we met reuzenschreden door meer dan honderd jaar geschiedenis gestapt. Bij Guido Gezelle vonden we zuivere natuurlyriek en, voornamelijk in zijn laatste bundel, muziek en klanken. Toen volgden de Tachtigers, impressionisten die met toetsen van zintuiglijk waarnemen een sfeer scheppen, de zin haast veeleer verhullen dan toegankelijk maken. Met de eeuwwisseling, o.a. bij Van de Woestijne en later bij Boutens, wordt poëzie een bekentenis. De natuur is een spiegel van de gevoelens, maar wordt niet om zichzelf beschreven.

Met de tragiek van Wereldoorlog I is de samenleving dooreen geschud. Dichters en schilders zoeken naar het wezen van mensen en dingen en drukken dat uit, expressionisme: de boer staat als het ware in de grond geplant (Permeke). Het kubisme was een extreme poging om opnieuw te structureren wat geatomiseerd was, om het leven weer in handen te nemen.

Anderzijds werpen de dichters de beklemmingen van de literaire taal van zich af : grammatica, metrum, rijm. Zodoende verdwijnen charmerende elementen. Het causale denken en de logische draad worden eveneens opzij gezet. De dichters wenden zich af van het ego en keren zich naar een collectief bewustzijn. Meteen wordt het beeld autonoom als een parallel van de werkelijkheid: het staat daar en roept associaties, diepten van het onderbewustzijn op.

In de Japanse Haiku, gedicht dat in zeventien lettergrepen de betekenis laat zien, roept een beeld ook een zintuiglijke maar ook een metafysische wereld op. Ter illustratie twee herfst-haiku’s van respectievelijk Basho (17ee.) en Buson (18ee.) verwijzend naar het sterven :

Weg door de velden:
Niemand die erover loopt
Deze herfstavond.

De nacht wordt dieper
en de slaap valt in de dorpen;
Ruisend valt water.

Dergelijke poëzie vergt ‘close reading’, vlak op de tekst, je afvragend : wat betekent dat wat er staat met elk detail.

PAUL VAN OSTAIJEN :‘Avondgeluiden’, droomt van een landschap "Er moeten witte hoeven achter de zoom staan/ van de blauwe velden van de maan/ ’s avonds hoort gij aan verre steenwegen/ paardehoeven/ dan hoort gij alles stille waan/ van verre maanfonteinen…/ het zijpelen van avondlik water…/ de paarden drinken haastig/ en hinniken/ dan hoort men weer hun draven stalwaarts." Nergens zegt hij ‘ik’, wat hij beleeft neem je objectief waar "gij hoort, men hoort". De paarden vinden de geborgenheid van de "witte hoeven", de dichter blijft alleen achter, voor hem "alles stille waan" .Diverse klankbeelden en handelingen roepen elkaar op . Ze drukken des te reëler uit wat de dichter beleeft daar ze als op afstand worden waargenomen, "zo is het"…

In ‘Herfstlandschap’ geen rijm, geen metrum, ze worden vervangen door woordherhalingen, stafrijmen:"In de mist is trage een os met een ossewagen/ stappend naast de mist nooit mist zijn maat/ de os van de ossewagen…" Alleen suggestie van het hortende leven, een tocht door mistbanken met niettemin "Achter aan de wagen drijft lantaarnlicht/ een geringe wig van klaarte in de donkerdiepstraat". Nergens staat een traditionele vergelijking of metafoor.

In ‘Heimwee’ heeft HENDRIK MARSMAN zijn vitalisme en zijn desillusie heftig uitgeschreven :"De tijden zijn zwart/ we zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren." De woorden die zijn onvervuld, onbereikbaar leven uitdrukken heeft hij als kreten (met hoofdletters) neergezet in sterk ritme zonder veel rijm. Hij is "door een engel op weerlichten doortocht verloren/ en door het onuitroeibaar heimwee vervuld/ den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,/ schrijd ik naar de Dood". Hij zal zijn hartstocht nooit realiseren, hij is maar een lichtflits in de ruimte. De dichter zal alleen maar "in late verwilderde woorden gewagen/ van eeuwen, die versomberden tot verhalen/ - duister en vurig -…van Kruistochten/ en Kathedralen".

Met ‘En rade, vocalise voor Cavalcanti’ schenkt JAN ENGELMAN ons ‘poësie pure’.Zijn vriend Cavalcanti had een film gemaakt : op een schip stond het vol met zakken suiker waarop diverse bestemmingen waren gedrukt. Vandaar de vele namen die mede door het rijm en stafrijm klinken als een lied:"de la musique avant toute chose" zoals Verlaine zei. "Groen is de gong/ groen is de watergong/ waterwee, watergong/ groen is de gong van de zee Sulina; Braïla/ Sulina, Brest/ Sulina, Singapore/ achter de vest". Het heimwee naar de zee en de verten ("hang die mijn ziel doordrong") wordt gecommuniceerd via de bestemmingen van het schip. De beelden staan autonoom, op zichzelf. We moeten ze als zodanig bekijken, ontleden, naar de zin ervan (als archetype) graven.

Engelman noemt ‘Vera Janacopoulos’ een ‘cantilene’, woord dat reeds iets hemels oproept. Naar men zegt schreef hij het in vijf minuten, na tijdens een concert de Braziliaanse zangeres Janacopoulos te hebben gehoord : "Ambrosia, wat vloeit mij aan ?/ uw schedelveld is koeler maan/ en alle appels blozen/ de klankgazelle die ik vond/ hoe zoete zoele kindermond/ van zeeschuim en van rozen/ o muze in het morgenlicht/ o minnares en slank gedicht" Ambrosia doet denken aan goddelijke nectar, daar tegenover alle appels blozen : het aardse, rozen : liefde en vergankelijkheid. Om dit gedicht te begrijpen moet elk woord op zijn archetypische zin worden getoetst. Slechts dan dring je door tot de schoonheid en de waarde ervan.

Wij lazen ook drie gedichten van GERRIT ACHTERBERG. Zijn leven werd getekend door de dood van zijn vrouw in onduidelijke omstandigheden, waarvoor hij jaren opgesloten bleef. Hij zoekt uit de ‘Diaspora’ te geraken, eenheid weer te vinden, met taal haar weer tot leven te wekken : "een prevelen, niet te verstaan,/ zal eenmaal samenvallen/ met onze kennismaking/ diep in de taal./ Dan treedt uw lichaam uit mijn som,/ want alle moleculen roep ik weerom/ uit hun verstrooiing. Alle." Hij was de eerste dichter die zich met beelden uit de wetenschap uitdrukte.

CEES NOOTEBOOM roept met het gedicht ‘Harba lori fa’ de herinnering aan een oud liedje op. Het is inderdaad ook het altijd weerkerend lied van leven en dood. Nergens staat er een vergelijking. In al die stroofjes van twee verzen (soms bijna als een haiku geschreven) vind je oeroude symbolen om te zeggen hoe voorbijgaand het leven is, om hunkering, genot, ontsnapping en aanvaarding uit te drukken : "De vijgeboom staat gebogen in de richting van het zuiden,/ boven ons het zacht snurken van een vliegtuig./…--Alles slaapt. Geef mij een ander leven en ik wil het niet. / Schelpen en krekels, mijn kelk is vol eeuwige middag./ --De stroom waaruit ik gisteren dronk had koel, helder water. / Ik zag de laurierboom weerspiegeld, ik zag hoe de schaduw –van de bladeren wegdreef over de bodem."

De dichter ziet in de stroom (van het hemels Elysium) de lauweren van zijn dichterschap, van de overwinning, maar ook dat is maar een schaduw die wegdrijft. En toch is hij tevreden "Dit was alles wat ik wilde. Harba lori fa." Maar tenslotte komt « de wandelaar die slaat met zijn stok" en zijn levensdraad vernielt.

In al de gedichten die we hier lazen, dringen we via de symbolen en de taal door in een dimensie die wij met alle mensen delen.

Jan Van Nuland

vorige pagina

beginpagina