CONTACTALLERGIE, door Prof. A. Goossens, dermatologie K.U.Leuven, op maandag 25 februari 2002
INLEIDING
Een contactallergie berust op een overgevoeligheidsmechanisme van het vertraagde type en uit zich ter hoogte van de huid onder de vorm van een eczeem. De diagnose wordt gesteld aan de hand van een uitgebreide anamnese, inspectie van de klinische letsels en de lokalisatie alsook de uitvoering van patchtesten.
1. Mechanisme
Een contactallergie of een allergisch contacteczeem berust op een overgevoeligheidsmechanisme van het cellulaire of vertraagde type en is het gevolg van een sensibilisatie ten opzichte van een stof waarmee de huid voorheen in contact kwam, het zogenaamde "contactallergeen".
De immuunrespons in contactallergie bestaat uit een inductiefase of periode van sensibilisatie en een uitlokkingsfase, waarbij, bij hernieuwd contact met het specifiek allergeen, er zich een ontstekingsreactie van de huid voordoet : het zgn. allergisch contacteczeem. Dit manifesteert zich 1 tot 3 dagen na het uitlokkend contact en wordt gekenmerkt door jeuk, roodheid, papels, vesikels, evt. blaren, schilfering, lichenificatie en kloven, naargelang het een acuut, subacuut of chronisch eczeem betreft.
De laatste jaren is er een enorme vooruitgang geboekt in het ontrafelen van de basismechanismen die aan de grondslag liggen van de inductie, de expressie, alsook de regulatie van contactallergische reacties. T.-lymfocyten (), Langerhanscellen () en mediatoren (bv. cytokines,…) staan hierbij centraal.
De allergenen verantwoordelijk voor een contactallergische reactie worden gevormd uit enkelvoudige scheikundige stoffen, zgn. "haptenen" (in de praktijk verkeerdelijk "allergenen" genoemd) die, na penetratie in de huid, opgenomen en verwerkt worden door de Langerhanscellen die de allergenen op de geschikte wijze aan de betreffende T-lymfocyten aanbieden.
Het allergisch effect is afhankelijk van de vet- en wateroplosbaarheid, alsook van de scheikundige aard van het hapteen, nl. dit moet scheikundig reactief zijn (of reactief gemaakt worden door metabolisatie in de huid of via externe invloeden zoals vb. zonlicht bij de vorming van zgn. "foto-haptenen"); verder spelen ook het moleculair gewicht (voor de meeste haptenen is dit lager dan 400 à 500 dalton) en de moleculaire configuratie een grote rol. Het belang van de moleculaire structuur van haptenen wordt onderzocht in zgn. "structuur-activiteitsstudies".
2. Oorzaak van de aandoening
Een allergisch contacteczeem wordt in principe veroorzaakt door rechtstreeks contact van de huid met het hapteen. Tabel 1 geeft een overzicht van de meest frequente sensibilisatiebronnen in functie van de localisatie. Niet alleen rechtstreekse applicatie op de huid doch ook overdracht van het hapteen, vb. via de handen naar het gelaat ("ectopic" dermatitis zoals bij een nagellakallergie), overdracht via de partner ("connubial" dermatitis), door contact via de lucht ("airborne" dermatitis) en accidenteel contact via een allergeen-gecontamineerd oppervlak kunnen contactallergie uitlokken. Strooihaarden, waarbij een eczeemreactie optreedt op plaatsen welke niet met de sensibiliserende stof in aanraking zijn geweest, komen eveneens frequent voor. Soms gaan patiënten, na een voorafgaandelijke sensibilisatie via de huid, reageren na systemische (inhalatie, orale of parenterale) toediening van dat hapteen (of een scheikundig verwante substantie); het klinisch beeld kan dan bestaan in een opflakkering van de vroegere contactplaats(en) of kan een diffuus, soms gegeneraliseerd eczemateus aspect aannemen. Men spreekt dan van een "endogeen" uitgelokte contactdermatitis. Wanneer licht een vereiste is tot de ontwikkeling van een contactallergie, spreekt men van fotoallergisch contacteczeem.
In sommige gevallen kan men, na sensibilisatie voor een bepaalde stof, allergisch geworden zijn voor andere chemisch nauw verwante substanties zonder voorafgaandelijk contact, dit is kruis- of groeps- overgevoeligheid (vb. kruisreacties tussen antibiotica zoals neomycine, framycetine, kanamycine, gentamycine, enz….; of tussen parafenyleendiamine (PPD), benzocaïne, sulfanilamide, diaminodifenylmethaan, … in het kader van een zgn. "para"-allergie).
3. Herkenning van de aandoening
3.1. Een uitgebreide anamnese () kan in sommige gevallen voldoende aanwijzingen opleveren. Soms bepalen de patiënten zelf de oorzaak van hun eczeem : wanneer ze het verband zien tussen vb. een nieuw gebruikt product in het huishouden, hobby of werk en hun contacteczeem. Het kan echter ook gebeuren dat de oorzaak ligt in een product dat al jaren gebruikt werd en plots allergische reacties teweegbrengt : dit wordt vaak door de patiënt niet geloofd waardoor de identificatie van het oorzakelijk allergeen bemoeilijkt wordt.
3.2. De lokalisatie vormt meestal een aanknopingspunt, vermits het contacteczeem zich in principe voordoet op de plaats van contact met het allergeen. Het eczeem kan echter ook op andere (vaak meer gevoelige) plaatsen voorkomen. Hierbij speelt de dikte van de huid een grote rol : zo vormen bv. oogleden predilectieplaatsen ()voor een "airborne" dermatitis, voor een contacteczeem door overdracht via de handen, en zelfs voor een contactallergie uitgelokt door allergiserende producten geappliceerd t.h.v. het ganse gelaat.
3.3. De lapjesproef, plakproef, patch- of epicutane test is tot nu toe de meest nauwkeurige manier om het allergeen te ontdekken.
Hierbij worden de verdachte substanties op de rug aangebracht met pleistertjes, in de juiste concentratie en het juiste vehiculum (de concentratie wordt meestal teruggevonden in de literatuur of wordt experimenteel bepaald; het vehiculum mag niet toxisch noch sensibiliserend zijn, en is meestal witte vaseline, water, alcohol of olijfolie).
Bij een patiënt, allergisch voor een aangebrachte stof, zal zich op de contactplaats een eczeemreactie voordoen; hiervan dient dan uiteraard de relevantie nagegaan te worden i.v.m. de doorgemaakte huideruptie.
Meestal voert men bij iedereen testen uit met de zogenaamde standaardreeks : deze heeft tot doel een mogelijke contactallergie op te sporen voor de meest frequente allergenen.
Deze reeks houdt echter maar een beperkt aantal (22) allergenen in; bij verdere exploratie naar een eventueel allergeen, moet deze standaardreeks aangevuld worden met andere, meer specifieke reeksen, vb. beroepenreeksen, antimicrobiële producten, kunstharsen, cosmetica, farmaceutische topica, … of met producten meegebracht door de patiënt zelf.
4. Belangrijkste allergenen en poging tot eliminatie
Een volledige lijst opsommen van alle allergenen is een onmogelijke opgave vermits elke substantie potentieel in staat is om contactallergie te induceren. Meest frequent zijn :
De enige effectieve behandeling van contactallergie bestaat uit een strikt vermijden van contact met de verantwoordelijk gestelde allergenen.
Sensibilisatiebronnen (rechtstreekse applicatie) en lokalisatie van het eczeem
Aangezicht
- algemeen : cosmetica en farmaceutische topica
- voorhoofd : haarverzorgingsproducten
- wenkbrauwen/peri-oculair ( ): beschermende maskers, zwembrillen, epileertangetjes
- ogen : producten voor verzorging, reiniging en make-up voor de ogen, oplossingen voor contactlenzen, farmaceutische topica voor oogheelkundig gebruik
- subnasale () streek : farmaceutische topica, zakdoeken (geparfumeerd), ontharings middelen
- lippen/mond : lipstick, farmaceutische producten voor lokaal en oraal gebruik, voedingsmiddelen, dranken (eventueel verpakkingen), spijzen, tabak, alle voorwerpen die in de mond kunnen worden gebracht (bv. fopstenen, speelgoed …), tandverzorgingsproducten, maskers en sonden, muziekinstrumenten
Hoofdhuid
Haarverzorgingsproducten, gebruiksvoorwerpen zoals metalen borstels, krulspelden, ….
Oren
Hals en nek
Cosmetische producten, parfums, scheerproducten, kleding en accessoires (bv. juwelen, sjaals, halsdoeken)
Romp/plooien
(Onder)kleding en kledingaccessoires, cosmetische producten (bv. deodorantia, antiperspirantia) , parfums.
Armen
Kleding (vooral in de elleboogplooi). Steungebieden : armsteunen, tafeloppervlakken.
Benen
Kleding en nylonkousen (vooral in de knieholte en de binnenzijde van de dijen), laarzen, ontharingsmiddelen, farmaceutische topica (beenulcera !).
Handen en polsen
Handschoenen, alle producten en materialen gebruikt in professionele, huishoudelijke en andere milieu's, juwelen (ringen, armbanden); parfums, cosmetische producten (voor de handen en andere), barrièrecrèmes, farmaceutische topica.
Voeten
Schoenen, sokken, kousen, verzorgingsproducten voor de voeten (bv. tegen zweten), farmaceutische topica (bv. antimycotica).
Anogenitale streek
Onderkleding, toiletdoekjes (geparfumeerd), deodorantia, parfums, middelen voor lokale contraceptie, farmaceutische topica (bv. tegen hemorroïden).
Prof. Dr. A. Goossens