FIERE MARGRIET, door Gilbert Huybens, maandag 11 maart 2002
Onverwachts werd aan de heer Gilbert Huybens gevraagd om in te springen voor Jos Stroobants, die belet moest geven. Aan de enthousiaste reacties achteraf te meten, bleek het een goede vervanging geweest te zijn. Op een meeslepende en boeiende manier vertelde hij ons over zijn jongste passie "Fiere Margriet".
Het levensverhaal van Margareta van Leuven, beter gekend als "Fiere Margriet", dateert uit het eerste kwartaal van de 13de eeuw. Het werd omstreeks 1222 opgetekend door Caesarius (+ 1240), een monnik uit de Duitse cisterciënzerabdij te Heisterbach. Het staat te lezen in zijn Latijns boek Dialogen over wonderbare visioenen en mirakels', geschreven in opdracht van zijn abt en tot stichting van zijn kloostergemeenschap. Het bevat afzonderlijke verhalen die een of andere deugd illustreren. In het geval van Margareta : de eenvoud. Caesarius verzamelde zijn informatie over haar uit getuigenissen van monniken uit de cisterciënzerabdij van Villers-la-Ville in de provincie Waals-Brabant. Zijn 'rapport' bevat geen verzinsels want, zo bekent hij : 'Indien een en ander anders is geschied dan ik het heb geschreven, moet dat veeleer verweten worden aan hen door wie deze feiten werden verteld'.

Waarover
gaat het ? Amandus, een Leuvens burger, beslist, samen met zijn vrouw, hun
bezittingen te verkopen en in de abdij van Villers in te treden. In hun huis, de
St.-Jorisherberg in de Muntstraat, werkt Margareta, een familielid. Op de
vooravond van hun intrede krijgen ze nog mannen over de vloer die eten en
overnachting vragen (zij wisten dat Amandus er financieel goed voor zat).
Vermits op dat ogenblik geen drank in huis was, wordt Margareta uitgestuurd om
wijn te halen. Ondertussen wordt Amandus beroofd en met zijn vrouw en de hele
familie vermoord. Wanneer Margareta terugkeert, nemen de moordenaars haar mee
buiten de stad waar zij (wellicht na een poging tot collectieve verkrachting)
wordt gedood en in de Dijle wordt geworpen. Haar lichaam wordt enkele dagen
later door vissers ontdekt en op de Dijle-oever begraven. Rond dit graf zien
sommigen 's nachts licht branden. Het lijk wordt ontgraven, naar de stad gevoerd
en in een kapel opgebaard. Mirakels blijven niet uit.
Tot daar, in grote lijnen, het relaas van Caesarius.
Maar in de 15de eeuw wordt zijn verslag flink bijgewerkt. De Brusselse Augustijnermonnik Johannes Gielemans (+ 1487) neemt zijn tekst grotendeels over maar voegt daar zoveel 'nieuws' aan toe - uit de volksmond overgenomen, zoals hij beweert - dat de hele Margareta-story een bovennatuurlijk karakter krijgt. Ziehier enkele van die toevoegingen : het lichaam van Margareta wordt in de Dijle door vissen gedragen; Hendrik I (+ 1235), hertog van Leuven, merkt met zijn echtgenote vanuit hun burcht het drijvende lichaam op. Ze zien engelen en horen hemels gezang; het lichaam drijft stroomopwaarts.
Vooral dat laatste 'wonder' werd bijzonder populair. Margareta's lichaam dreef stadsinwaarts, zeer waarschijnlijk richting Vismarkt dat toen een kleine haven was. Aan de Oratoriënbrug in de Mechelsestraat waren sluizen die het waterdebiet regelden. Door het spel van die sluizen ontstond een 'tegenstroom'. Die verdween toen in 1880 de Dijle aan Craenendonck werd verlegd. Dit fenomeen werd beschouwd als één van de zeven wonderen van Leuven : het water gaat tegen de stroom in.
In de 16de eeuw stelde Johannes Molanus (+ 1585), hoogleraar en sedert 1562 deken van de St.-Pieterskerk, een nieuw onderzoek in. Hij vulde de gegevens van Caesarius en Gielemans aan met persoonlijke 'vondsten' over onder meer de plaats waar Amandus zou hebben gewoond, het wijnkruikje van Margareta, de prop die de moordenaars in haar mond staken om haar het schreeuwen te beletten, een 'scrabeus' Margareta-lied dat in 1548 te Antwerpen werd uitgegeven.
Vele 17de-eeuwse auteurs van heiligenlevens - en het zijn er heelwat - namen het Margareta-verhaal over.

Het soude een fier Margrietelijn
Ghister avont spade
Met haren canneken gaen om wijn;
Si was daer toe verraden.
Wat vantse in haren weghe staen ?
Eenen ruyter stille.
"Nu segt mi, fier Margrietelijn,
doet nu mijnen wille, ja wille."
"Uwen wille en doen ic niet.
Mijn moerken soude mi schelden,
Storte ic dan mijnen coelen wijn;
Alleyne soude ic hem ghelden."
En sorghet niet voor den coelen wijn,
Mer sorghet voor u selven.
Die waert is onser beyder vrient,
Hi sal ons noch wel borghen."
Hi namse in sinen witten armen
Heymelick al stille;
Al in een duyster camerken
Daer schafte hi doe sinen wille.
Smorgens omtrent der middernacht
Si ghinc haer kanneken soecken.
Daer lach die moeyaert ende hi loech :
"Het staet daer teynden mijn voeten."
"Mer dat daer teynden u voeten staet,
Dat sal u noch lange berouwen.
Ic hebbe noch drie ghebroeders stout,
Si sullen u dat hooft af houwen."
"Alle u ghebroeders stout,
Die sette ick in mijn deeren.
Ick sal alle dese somer lanck
Met Grietken houden mijn scheeren."
Ende hi nam eenen snee witten bal,
Hi stackse al in haer kele,
Hi schootse tot eenderen veynsteren,
Hi schootse al in die Dijle.
Teghen stroom quam si ghedreven uut
Aen sint Jans cappelle.
Dat sach so menich fijn edel man,
So menich jonc gheselle, ja gheselle.
De cultus rond Margareta, die al in 1699 door de Mechelse aartsbisschop de Precipiano was onderzocht, werd in 1905 door paus Puis X officieel toegestaan. De stenen kapel van 1540, ingebouwd in een transkapel van de St.-Pieterskerk, werd een trefpunt voor devote pelgrims; de 500ste verjaardag van haar dood (1725) werd met grote luister herdacht; de Leuvense kunstenaar Pieter Joseph Verhaghen schilderde in 1765 vijf taferelen uit haar leven (de doeken hangen nog steeds in haar kapel).
Dankzij de onverdroten ijver van Edward Van Even (+ 1905) haalde zij eind 19de eeuw opnieuw de grote pers. Ze werd door paus Leo XIII zalig verklaard, en haar gebeente werd in 1902 in een nieuw schrijn geplaatst.
Geregeld (tot omstreeks 1964) werden haar relieken meegedragen in de jaarlijkse processie van O.-L.-Vrouw Belegering.
Door de eeuwen heen heeft Margareta, meer dan haar collega's de zalige Ida en Katherina van Leuven, de Leuvenaars beroerd en tal van kunstenaars geïnspireerd. Het ideaalbeeld dat zij schetsten van een jong en deugdzaam meisje, dat haar eerbaarheid boven de dood stelde, uit zich in biografieën, artikels, liederen, gedichten, gravures, tekeningen, standbeelden, schilderijen en glasramen. Een Leuvens plein, café, service-club en toneelgezelschap dragen haar naam.
Al die informatie werd voor het eerst gebundeld in het boek Fiere Margriet. Eeuwenoud - Springlevend. (Leuven, uitgeverij Peeters). Het omvat twee delen : in het eerste biedt prof. Maurits Smeyers (+ 1999) een uitvoerige en kritische analyse van de oude Latijnse 'vitae' van Caesarius, Gielemans, Molanus e.a.; deel twee bevat detailstudies over Margareta in de kunst en de literatuur van ondergetekende, prof. em. Jozef Smeyers, Katrien Smeyers, Véronique Vandekerchove e.a. Verschijningsdatum : eind augustus 2002.
Aansluitend op deze publicatie brengen verschillende Leuvense woordkunstenaars, musici, koren en een balletgroep, het mysteriespel Zeven visioenen uit leven en dood (van Margareta) in een regie van Jos Stroobants.
Vier voorstellingen : vrijdag en zaterdag 13/14 september 2002 (telkens om 20 en 22u.) in het hoogkoor van de St.-Pieterskerk.
Gilbert Huybens