beginpagina

vorige pagina

HET RECHT OP GOED EN GEZOND VOEDSEL, door de heer J. Vannoppen,
maandag 18 maart 2002

De heer J. Vannoppen hield op 18 maart een boeiende voordracht over het recht op goed en gezond voedsel. In aansluiting hierop bezorgde hij ons een opiniestukje dat hier volledig op aansluit.

In zijn kersthomilie riep Godfried Danneels op tot echte empathie voor arme mensen. Het betekent dat we ons inleven in hun situatie, zodat we hun houding en reacties begrijpen. Als je 'begrijpen' in het Engels of Frans vertaalt hoor je dat in-leven doorklinken : je gaat onder hen staan (understand), je omarmt ze (comprendre). Klinkt mooi, maar laten we eerlijk wezen : hoe kan een gemiddelde Belg of Nederlander als u en ik aan die empathie werken, vooral als het over de echt diepe armoede gaat ? We verdienen dan wel stukken minder dan bepaalde topmanagers, maar stukken meer dan die 1,2 miljard aardbewoners die dagelijks slechts een schamele euro of minder te besteden hebben. Honger bijvoorbeeld, hebben we dat ooit gevoeld ?

Hebben we ooit moeten kiezen tussen eten of medicijnen kopen ? Hoe kunnen we ons dan betrokken voelen bij een mens die dat wel al meegemaakt heeft, zonder hem of haar te degraderen tot slachtoffer, één van de zovele Somaliërs, Kosovaren, Congolezen, Afghanen ?

Soms helpt literatuur. Lees bijvoorbeeld Isabel Allende's 'Het huis met de geesten' en bedenk dan hoe de nieuwe opmars van grootgrondbezit ingrijpt in de levens van de één miljard gezinnen die als keuterboer aan de kost proberen te komen. Soms helpt het betere journalistieke werk, zoals Kapuscinski's 'Ebbenhout", een bundeling van zijn ervaringen en observaties in een tiental Afrikaanse landen. Hun personages zuigen ons mee in de realiteit van arme mensen die het moeten zien te rooien in de perifere gebieden van onze 'nieuwe wereld'. De mensen die ze neerzetten zijn vaak beklagenswaardig en bewonderenswaardig tegelijk, omdat ze in moeilijke omstandigheden overeind blijven. Dat stemt tot nadenken : hoe zou ik reageren in dergelijke situatie, hoe sta ik tegenover de hele toestand ?

Journalist Dirk Barrez en filmer Jan Van Bilsen doen precies hetzelfde in hun reportage 'Het gezicht van de honger' (uitgezonden op zondag 13 januari in 'Panorama' op Canvas - VRT). Ze gingen gewoon een paar weken leven in het Senegalese dorp Boulidiama, amper tweehonderd kilometer van Dakar maar helemaal "in the middle of nowhere". Ze brachten het leven van vier boerenfamilies in beeld. Hun verhaal leert ons hoe hun volk al generaties lang weet om te gaan met natuurrampen zoals droogtes of overstromingen. Vanuit de traditie weet men nog veel honger te voorkomen, bijvoorbeeld door in goede jaren een voedselvoorraad op te bouwen, of dankzij de solidariteit in de grootfamilie. Door in te spelen op de smalle marges die de natuur en hun samenlevingsmodel hen biedt, kan ruraal Senegal met weinig middelen ook vandaag nog heel wat klappen opvangen.

Maar aan die marges wordt steeds meer geknaagd. In de eerste plaats omdat het beleid bepaald wordt door andere groepen. Vaak worden onder impuls van de lokale machthebbers de voedselvoorraden weggekocht of geroofd van het platteland om het electoraat in de steden te vriend te houden. Ook bevolkingsdruk kan een rol spelen : elk jaar meer monden voeden van een al uitgeput stuk land, dat valt niet mee. Maar vandaag de dag brengt economische globalisering een nieuw soort rampspoed, want wereldmarktprijzen bepalen in toenemende mate de lokale prijs.

Een lage koffie-, katoen-, maïs-, of aardnotenprijs op de wereldmarkt betekent soms de doodsteek voor ooit bloeiende dorpen. Het inkomen van de mensen daalt enorm, waardoor ze niet meer in al hun basisbehoeften kunnen voorzien.

Daarom pleiten de Senegalese boerenorganisaties bij hun overheid voor een nationaal of regionaal landbouwbeleid dat mensen op het platteland helpt om van hun arbeid te leven, zodat hun dorpen weer leefbaar worden. Laconiek antwoord van de IMF-vertegenwoordiger : "Ik denk niet dat Senegal daar de middelen voor heeft". Ook de Wereldhandelsorganisatie is tegen, vooral nu er een nieuwe onderhandelingsronde begint, waarin een verbod op landbouwsubsidies een hoofdrol gaat spelen. Ontwikkelingslanden zullen zich allicht blijven weren om soeverein over hun voedselbeleid te kunnen beslissen. De Senegalese president laat bijvoorbeeld weten dat zijn land in deze onderhandelingen niets te winnen, alles te verliezen heeft. Toch valt te vrezen dat kleine voedselproducenten als Mayram, Seydou, Saliou en Amadou uit de reportage aan het kortste eind zullen trekken. Zij betalen het gelag want ze zitten zelf in de periferie van hun land dat internationaal gezien toch al niets in de pap te brokken heeft. Voor hen is het erg moeilijk om zich te organiseren en hun stem te laten doorklinken.

Daarom is steun aan de Senegalese boeren- en basisbeweging belangrijk, zodat ze het beleid van de nieuwe, goedmenende regering kunnen beïnvloeden in het voordeel van de armen op het platteland. Daarom ook moet er in Europa en in België meer publieke aandacht komen voor het wereldvoedselvraagstuk, en meer politieke wil om er iets aan te doen. De media kunnen daar een grote rol in spelen, door genuanceerde berichtgeving en degelijke analyses.

De schrijvende pers mag op dat vlak gerust een tandje bijsteken, en graag twee tandjes op radio en televisie. Argumenten als 'afgezaagd' of 'te complex' houden geen steek. Met de reportage 'Het gezicht van de honger' doet Panorama op een boeiende en waardige manier een toch wel pijnlijk probleem uit de doeken : in de hele streek waar Barrez en Van Bilsen filmden is de gemiddelde oogst maar goed om tweederde van de behoefte te dekken. Het is niet zozeer dit cijfer, maar de persoonlijke getuigenis van Mayram, Seydou, Saliou en Amadou dat ons misschien zal helpen om empathie aan te kweken.

De auteur volgt de voedselproblematiek voor Vredeseilanden.

Jan Vannoppen

vorige pagina

beginpagina