beginpagina

vorige pagina

Poëzie ontdekken met Reine Wellens

Bij wijze van inleiding herinnert Mevrouw Wellens ons eraan dat een gedicht pas zijn betekenis begint vrij te geven bij een tweede of derde lezing…het is zoals met troebel water, het moet bezinken voor we tot op de bodem kunnen kijken. De logica van een gedicht zit hem niet in een causale volgorde, van oorzaak naar gevolg. In een gedicht heerst associatief denken : het ene beeld roept het andere op, in tijd en ruimte verspringend. Poëzie begrijpen – of beter misschien, door poëzie gegrepen worden – vergt nadenken om door de beelden heen te zien, te vatten hoe die of die associatie hier te pas komt.

Vandaag lezen we gedichten van de Nederlandse dichteres Hester Knibbe.

Het verlies van haar zoon bepaalt haar thematiek, haar vertrouwdheid met de klassieke Oudheid reikt haar associaties aan.

In ‘De zoon’ legt zij de woorden van haar verdriet in zijn mond en geeft al schrijvend het gemis gestalte.

"Mijn moeder zit aan tafel en ze schrijft/ ontroostbaar, dus troost ik haar/ niet; ze wil me niet kwijt. Terwijl/ ik naast haar zit, kijkt ze/ aan me voorbij, vindt slechts het wit/ onder haar handen dat ze vult/ met mij. Mijn moeder luistert/ naar wat niemand ziet : dat ik weer/ praat met haar (…) "

In een ander gedicht beleeft ze haar eigen lot en dat van alle mensen in de natuur :

"Stoffige geur van de middag/ hitte en daarvan de stilte, cicaden en wind/ in de tamarisk. En ook wat niemand kan/ horen is er. (…) Op deze toevallige speelbal…kijk/ ik, halfblind in het verblindende, langs/ arm en hand naar de horizon, tik/ met de vingers lichtjes ertegen : schrik-/ draad dat blauw van het blauw/ weg moet houden…" Welke zin is er te vinden op aarde, je kijkt je er blind op; het blauw van de zee en dat van de lucht …onze horizon, "een schrikdraad", een vingertik en je wordt uitgesloten, opgeslokt, dood.

Uit de bundel ‘Een dunne duurzaamheid’ :

In ‘Eurydice’ is het de overleden geliefde die uitspreekt wat zij nu is en hoe weinig Orfeus beseft wat dood zijn is :

"Hij heeft zijn lied op mij gezet,/ betast de lier zoals voorheen/ mijn huid, terwijl de kou mij/ tot de lippen staat. Onder de tijdschaal/ bijgezet leef ik het leven / van een smeekgebed : Eurydice, kom uit ! Sluitsteen en godsverbod/ speelt hij opzij, verdooft de dood/ tot slaap…"

In deze mythische context roepen de woorden ook verhalen uit het evangelie van Johannes op, de opwekking van Lazarus (kom uit), verrijzenis van Christus (sluitsteen van het graf - houd mij niet vast). Er is geen echt leven, alleen herinnering. "men laat hem/ in en geeft mij weg als bruidschat/ aan Herinnering." Terugroepen uit de dood, "leven achterwaarts doet kwaad", voor haar is het "ontsporen in de tijd".Gestorven is ze altijd dicht bij hem "licht en nauw als stilte luistert".

De volgende gedichten blijven bij het thema van de ontroostbare moeder.

In ‘Demeter’ horen we het verhaal van de godin van de vruchtbare aarde. Haar dochter Korč (Persephonč) werd door Hades, de god van de onderwereld, geschaakt waardoor de aarde onvruchtbaar werd. "Mijn kind is zoek en telkens weer/ terecht. Ze laat zich lokken naar/ de duisternis, hoe vaak ik haar ook/ zeg : geen god die te vertrouwen is." Maar Zeus gaf Hades het bevel Korč de helft van het jaar naar haar moeder te laten terugkeren. En telkens als zij terugkeert is er oogst, is er vreugde "Maar op het uur van dooi komt ze/ terug en danst met vlugge voeten/ zoete vruchten uit de aarde."

In het gedicht ‘Persephonč’ klinkt het "Hij heeft me niet geschaakt, ik/ was nieuwsgierig, ben vrijwillig/ afgedaald …M’n moeder snapt dat niet (…) Maar ik heb/ ook een winterkant, die dieper/ naar de wortels graaft, op zoek gaat/ naar de kiemen van het zaad. (…) ik wil de bronnen duiden / van wat voedt, de maaiers in de armen / vallen moet. Daaraan ben ik verbruid." Zij heeft zich losgemaakt, om leven en dood (van de natuur) in één bestaan te verenigen, om de bron en de zin te doorgronden, ook al verstaat haar moeder haar niet.

In ‘Domein’ lees je hoe zinloos grote verwachtingen zijn :"Dit is je grondgebied, vruchtbaar/ maar afgemeten. (…) Mijd Eden. Die hof lijkt / uitgediend; de boom die in het midden/ staat, kraakt onder vrucht en blad." Je hebt ruimte genoeg om te leven, maar dromen helpt niet. Als je lang genoeg leeft, de vele vruchten van de boom bezit…en dan ? Blijf van het verleden af : "Schaf schoenen aan, ga/ stevig stap voor stap", een reminiscentie van "Leven achterwaarts doet kwaad" in ‘Eurydice’.

Hester Knibbe schreef talrijke reisgedichten, waaronder ‘Delphi’, de stad met het heiligdom van Apollo, god van de kunst, en met het orakel van de Pythia. Met zijn bergkloof en woeste natuur was het in oude tijden ‘de navel van de aarde’.

"Het hek staat open en het pad omhoog/ ligt dichtbezaaid met bijgeloof en zon.(…) We kwamen hier terecht/ via herinnering en een getaande hoop;/ er zouden tempels, het gezang klonk hoog./ Restanten steen in slagorde van dood/ wijzen ons terecht. Noch god noch/ muze zij geloofd, Apollo is verdwenen."

Velen kwamen hier, hopend hun lot te kennen, maar er is geen Apollo meer. "Je lacht, dwaalt af" zegt ze tot haar partner, "een moment buig je de eeuwen/ om, word je de speler die me juist/ verliet, speel je het oudste, wreedste/ spel : ik wil je wel ik wil je niet." Ook zij is een speelbal, onzeker van haar lot.

‘Het oor’ begint met het economisch klinkend vers "In vraag en aanbod zijn we teruggekeerd/ …Het oor dat jij op Delos vond,/ ligt doof van stof op het bureau./ Rest van een ding." Er is geen contact meer…het oor is nog slechts "de schaduw van het achterhaalde" gesprek en betovering. Zo ook de "stoffige aanleg van de kruik", nog voor ze af zijn hebben de dingen –en de mensen gemaakt uit stof - aanleg voor "breken dat niet meer te stillen is."

In ‘Daedalus’ keren we terug naar het thema van de overleden zoon. "Een labyrint heb ik gebouwd en Icarus/ verwekt. Beeldhouwer-architect, zit ik / alleen mijn kind te houwen/ uit een steen nadat hij is gevallen/ als een blok. (…) Wanneer een zoon/ neerstort, trekt hij de vader/ mee: we blijven onafscheidelijk / bijeen…" Daedalus die ooit een labyrint bouwde zit nu zonder uitweg "verbijsterd in een labyrint van gruis en stof…stomweg te houwen/ en te bouwen aan m’n kind."

Hester Knibbe laat ons - zowel met eenvoudige woorden als met reminiscenties, die soms reiken tot in de ziel van het collectief geheugen van onze cultuur - haar gevoelens als moeder, als geliefde, als zoekende mens meeleven.

Jan Van Nuland

vorige pagina

beginpagina