Poëzie ontdekken met Reine Wellens
Het voorbije jaar hebben we reeds een paar gedichten van de Poolse dichteres Wislowa Szymborska gelezen. Nu is de hele namiddag aan haar werk gewijd. Zij werd in 1923 bij Krakau geboren en studeerde aldaar Poolse literatuur en sociologie. Toen ze in 1948 afstudeerde werd ze columniste in een literair tijdschrift. In dat jaar werd haar eerste verzenbundel door de censuur afgekeurd want "te complex, te bourgeois". Zij plooide zich naar de partijlijn en publiceerde in de trant van het ‘sociaal realisme’. Maar alert als ze was voor sociale situaties brak ze eind jaren vijftig met het socialisme. In die periode is haar werk voldragen.
Ze publiceerde zestien gedichtenbundels die in talloze talen werden vertaald. Zij ontving o.a. de Goethe- en de Herderprijs en in 1998 de Nobelprijs. De jury van de Nobelprijs waardeerde haar "poëzie die met ironische precisie de historische en biologische context aan het licht brengt in fragmenten van menselijke realiteit."
‘Het hongerkamp bij Jaslo’ (1962) begint als een apocalyptische verkondiging over een Nazi-kamp:
"Schrijf dit op. Schrijf. Met gewone inkt
op gewoon papier: ze kregen niets te eten
allen kwamen van de honger om. Allen. Hoeveel ?
Het was een grote weide. Hoeveel gras was er
voor elk van hen? Schrijf op: dat weet ik niet.(...)
We zijn op de weide waar het woord lichaam werd.
Maar de weide zwijgt als een zwijgende getuige.
In de zon. Groen. Niet ver weg een bos,
hout om te kauwen, sap onder de schors -
het uitzicht was hun dagrantsoen (…)
‘s Nachts fonkelde aan de hemel een sikkel,
maaiend voor gedroomde broden.
Handen van donkere iconen vlogen aan
met lege kelken in hun vingers.
Iemand schommelde
aan een spit van prikkeldraad.
Men zong met aarde in de mond. Een lieflijk lied
over de oorlog die je in het hart treft.
Schrijf op hoe stil het hier is. Ja"
Zinspelingen op evangelieteksten (het woord lichaam werd : de menswording van Christus; gedroomde broden : de vermenigvuldiging van de broden), toespelingen op communistische processen (de weide zwijgt als een betaalde getuige, herinneringen aan religieuze afbeeldingen (iconen met kelken) suggereren door het contrast en het sarcasme de verschrikkingen. Dit gedicht zet als het ware de toon en de stijl van haar werk.
In ‘Martelingen’ (1986) roept Szymborska het beeld op van de universele mens met het lichaam als instrument van de beul om hem te treffen in zijn ziel. "Er is niets veranderd./ Het lichaam is vol pijn.(...) Zijn botten breken gauw, zijn gewrichten zijn te rekken./ Bij martelingen wordt met dit alles rekening gehouden." Vijf strofen beginnen met dit "Er is niets veranderd": " De martelingen zijn dezelfde, alleen is de aarde gekrompen/ en wat er ook gebeurt - het lijkt wel bij de buren./(…) Er zijn alleen veel mensen bijgekomen (...)Hoogstens de manieren, vormelijkheden, dansen" In 'Lof van de kleine eigendunk' (1976) : De beulen zijn als roofdieren: "Scrupules zijn de zwarte panter vreemd (...) Niets is dierlijker dan een zuiver geweten."
Soms ziet Szymborska de mens als een onbepaald individu in een onbepaalde wereld : "Enkele mensen op de vlucht voor enkele mensen./ In een of ander land onder de zon/ en enkele wolken.(...) Een soort onzichtbaarheid zou hier van pas komen,(…) Er zal nog wel iets gebeuren, alleen waar en wat./ Iemand zal hun tegemoetkomen, alleen wanneer en wie,/ in hoeveel gedaanten en met wat voor bedoelingen/ Als hij kan kiezen,/ wil hij misschien geen vijand zijn/ en zal hij hen in een of ander leven laten." (‘Enkele mensen’ 1993) De mens weet niet wie hij is noch waar zich situeren noch wat hij van anderen mag verwachten.
In ' Utopia' beschrijft ze het irreële paradijs dat het communisme belooft : "Het eiland waar alles wordt opgehelderd.(...)De struiken buigen door van alle antwoorden (...)Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.(...) Ondanks al deze verlokkingen is het eiland onbewoond." Haar beschrijving wekt de lach en openbaart tot welk simplisme de levende werkelijkheid van het "Wezen der Dingen" wordt herleid. Alles is er onpersoonlijk, zelfs ‘Het schrijven van een C.V.’ (1986) : "Schrijf alsof je nooit met jezelf hebt gepraat/ en altijd ver uit je eigen buurt bent gebleven (...)Daarbij een foto met één oor vrij./ Zijn vorm telt, niet wat het hoort./
Wat hoort het dan ?/
Het dreunen van de papiervernietigers." Wat de beschrijving van de persoon zou moeten zijn, eindigt in de papiermolen van de bureaucratie.
Zoals voor vele dichters is ook voor haar het leven een schouwtoneel :"Leven voor de vuist weg./ Voorstelling zonder repeteren./ Lichaam zonder passen./ Hoofd zonder overleg./ De rol die ik speel, ken ik niet./ Ik weet alleen: hij is van mij, mag niet geruild./ Waar het stuk over gaat, moet ik maar raden op het toneel. (...) Het is een illusie te denken dat het maar een vluchtig examen is.(...) Nee geen twijfel aan dat dit de première is./ En dat wat ik ook doe,/ voor altijd verandert in wat ik heb gedaan." Je wordt geworpen in het leven en je moet maar zien er wat van te maken, het is in alle geval onherroepelijk. (1986)
In ‘Een verhaal begint’ (1986) overloopt ze gebeurtenissen uit het verleden, gedomineerd door machthebbers. Met list en simulatie kan de mens overleven. "De wereld is nooit klaar/ voor de geboorte van een kind./ Moge de bevalling licht zijn/ en het kind gezond opgroeien.(...) Laat zijn hart sterk en volhardend zijn,/ zijn verstand waakzaam en vooruitziend. / Maar niet zover / dat het de toekomst ziet./ Bespaar hem die gave, hemelse machten." De opsomming van al die feiten klinkt bijna humoristisch, hoe vreselijk ze ook waren. En mensen leven zonder te berekenen, met redeloos optimisme.
In ’De werkelijkheid eist’ (1993) somt ze nogmaals wapenfeiten op. Hoeveel slagvelden er al mogen geweest zijn, "het leven gaat door.(...) Welke moraal hieruit voortvloeit? Waarschijnlijk geen./ Wat werkelijk vloeit, is snel drogend bloed,/ en natuurlijk zijn er altijd de rivieren."
Haar gedichten laten haar gevoelens niet direct aan bod komen. Ze trekt iedere beleving, iedere ervaring open naar een universele betekenis. Daarin schemeren haar filosofische opvattingen door. "We noemen hem een zandkorrel./ Maar zelf noemt hij zich korrel noch zand./ Hij kan het af zonder een naam.(...) Onze blik en aanraking doen hem niets./ Hij voelt zich gezien noch geraakt.(...) De tijd snelde voorbij als een koerier met een spoedbericht./ Maar dat is alleen onze vergelijking./ De persoon is fictief, zijn haast aangepraat,/ het bericht - onmenselijk." (‘Uitzicht met zandkorrel’ 1986). Alleen wij mensen geven in dit universum zin en betekenis aan verleden; heden en toekomst. (In "Afscheid van het uitzicht" 1993).
Jan Van Nuland