EEN WERELD ZONDER GRENZEN (DE GLOBALISERING) : UITDAGING OF DREIGEND GEVAAR !, door de heer Gui Goris
Historische achtergrond
Globalisering dient men te zien als de overheersing van de economische dynamiek (actuele versie van het kapitalisme) op het geheel van het maatschappelijk leven, een verschijnsel dat zich mondiaal heeft verspreid en waarvan men de eerste sporen terugvindt in 1492, de tijd van de ontdekkingen van de Nieuwe wereld (Colombus) waarin de expansie van de Europese macht wortel heeft geschoten (nieuwe markten, nieuwe grondstoffen, nieuwe werkkrachten nodig), en dit alles beschermd onder militaire druk.
Tussen 1950 en 1973 kenden wij de grootste economische groei uit de geschiedenis. De rijkdom die hieruit ontstond werd massaal verdeeld (mede onder druk van vakbonden en politieke partijen). Dit had een zekere gelijkschakeling van de inkomens tot gevolg (minder groot verschil tussen armen en rijken). Het was de tijd van het concensusmodel tussen werknemers en werkgevers gesteund op overleg.
1973 de ‘olieschok’. Deze had enorme sociale gevolgen, o.a. grote werkloosheid, het ineenstorten van het consensusmodel dat werd omgekeerd naar een confrontatiemodel, waarin de vakbonden niet meer rechtstreeks stonden tegenover de patroon maar tegenover de aandeelhouders die op verre afstand beslissingen namen over tewerkstelling.
Aan deze olieschok waren nog drie belangrijke gevolgen verbonden :
stijgende energieprijzen die drukten op de mogelijkheid tot loonstijging
de olielanden zitten met een overschot aan geld dat ze niet kunnen gebruiken, dus naar westerse banken versluizen, die op onkritische wijze allerlei projecten gingen financieren in ontwikkelingslanden, vaak zinloze projecten (witte olifanten) zoals bijv. dure stuwdammen waarvan nooit een nuttig gebruik werd gemaakt. Ook kwam heel wat geld terecht in de handen van corrupte beleidsmakers die het verbrasten of stiekem versluisden naar Zwitserse banken, enz.
Ondertussen hadden de USA de dollar losgekoppeld van de goudwaarde (opzeg van het in 1945 gemaakte Bretton Woodsaccoord), waardoor de dollar minstens in waarde verdubbelde. Dit had zeer negatieve gevolgen voor de landen die hun leningen moesten terugbetalen in dollar. Zij moesten nieuwe leningen aangaan om intresten op leningen te kunnen terugbetalen.
Dit had tot gevolg dat in 1982 Mexico het eerste land was dat (niet kon) weigerde zijn schulden terug te betalen. Dit veroorzaakte paniek in de internationale financiële wereld. Men vreesde terug te verzeilen in een beurscrash zoals in 1929 in de USA, met alle gevolgen van dien (medeoorzaak van de 2e wereldoorlog).
Als maatregel tegen dit gevaar kregen de Wereldbank (WB) en het Internationaal Muntfonds (IMF) de opdracht structurele aanpassingsprogramma’s op te leggen aan ontwikkelingslanden die lening nodig hadden. Dit kwam erop neer dat deze landen “de tering naar de nering” moesten zetten; dit betekent minder uitgaven en meer inkomsten. Dit kwetste heel wat van deze landen in hun nationaal gevoelen van zelffierheid en hun politieke beslissingsmacht. Veel van deze landen waren immers socialistisch georiënteerd en besteedden veel geld aan gratis basisonderwijs voor iedereen en de basisgezondheidszorg. Deze verworvenheden dienden afgebouwd met de negatieve gevolgen van dien (o.a. opnieuw woekeren van tuberculose en andere reeds overwonnen infectieziekten). Ondertussen moest er meer geteeld worden voor verkoop aan het buitenland (bijv. tulpen op grond die kon gebruikt worden voor de basisteelten voor de eigen voeding).
Vanaf 1989 (val van de Berlijnse muur) werden deze maatregelen ook opgelegd aan de Oost-Europese landen die op zoek naar rijkdom het Westers economisch model wilden overnemen. Uiteindelijk werd heel de wereld opgenomen in het Westers neo-liberaal systeem, volgens de spreker gedomineerd door enkele grote bedrijven en de grote beleggers.
Het neo-liberaal systeem heeft zich niet alleen uitgebreid in de breedte (gans de wereld) maar ook in de diepte. Niet alleen materiële producten zijn marktobjecten geworden (koopwaar voor de hoogstbiedende) maar ook levensnoodzakelijke zaken zoals pensioenen, gezondheidszorg, onderwijs worden voorwerp van betaling, en ter beschikking gesteld van degenen die het zich kunnen veroorloven
Multinationals zijn ook druk bezig om door gedeponeerde patenten zich het eigendomsrecht van heel wat zaken, uitvinden, naamgevingen, ideeën, eigen te maken. In deze monopoliepositie kunnen ze zelf de prijzen bepalen. Het gaat zelfs om ‘vitale’ sectoren zoals menselijk weefsel, planten, biologisch materiaal, micro-organismen. De vraag is of hieraan geen grenzen moeten gesteld worden.
Huidige toestand van de wereld
Momenteel moeten 1,2 miljard mensen op een wereldbevolking van 6,3 miljard leven met een inkomen van één dollar per dag, 2,8 miljard met 2 dollar per dag. Even negatieve cijfers kan men aangeven over beschikbaarheid van zuiver water, gezondheidsvoorzieningen, mogelijkheden van onderwijs. Ondertussen besteden de Amerikanen jaarlijks 8 miljoen dollar aan cosmetica, de Europeanen 11 miljoen € aan ijscrème. De kloof tussen rijk en arm wordt groter en groter, ook binnen de westerse wereld. We leven op een tijdbom. De armen, geïnformeerd door de media (TV), nemen dit niet meer. We moeten er iets aan doen, ook vanuit een welbegrepen eigenbelang. Nu en dan een aalmoes geven helpt niet. We hebben nood aan structureel economische veranderingen die wij vanuit politieke wil doorvieren. We beschikken hiervoor over democratische politieke middelen. De door de bevolking ondersteunde politieke besluitvorming kan de economische uitwassen een halt toeroepen.
Lucas Gellynck
EEN TOELICHTING : DE GLOBALISERING VAN DE WERELD: IS HET ALLEMAAL KOMMER EN KWEL?
Het begrip ‘ globalisering’ dekt verschillende met elkaar verwante betekenissen. Sommigen interpreteren het als de vrije handel waardoor iedereen zonder staatsinmenging (importtaks of exportsubsidie) aan elkaar kan verkopen. Wie een waar het goedkoopst kan produceren zal die dan ook het best verkocht krijgen (een zuiver liberaal principe). Op deze wijze zullen we dus alles uiteindelijk aan de goedkoopste prijs kunnen kopen.
Anderen zien het echter breder: de dominantie, onder de leiding van Amerika, van het kapitaal dat heel de wereld in zijn hand heeft in de vorm van de multinationale ondernemingen (MNO) en de grote financiële groepen. Deze groepen beheersen de wereld. Dit heeft tot gevolg dat de rijken en steeds rijker worden en de armen steeds armer. Deze gedachtegang vindt men terug in de traditioneel politiek linkse kringen, in sommige groepen van de arbeidersbeweging en in de niet-gouvermentele ontwikkelingsorganisaties (NGO), in hun bekommernis voor de armsten in de wereld, bij ons vooral bekend als ‘Broederlijk Delen’, ‘Oxfam’ , ‘Vredeseilanden’ en het ‘Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking’ (NCOS). Gie Goris die onlangs een voordracht over dit onderwerp in Seniorama gehouden heeft is een woordvoerder van deze laatste groep. Tenslotte, sluiten ook de milieubewegingen grotendeels aan bij deze stelling.
Al deze groepen hebben elkaar voor het eerst gevonden in de gewelddadig (onderdrukte) betoging ter gelegenheid van een bijeenkomst van de wereldhandelsorganisatie (WTO) in Seattle (1999). Latere bijeenkomsten van deze organisatie gingen met evenveel geweld gepaard. In onze herinnering blijven de bijeenkomsten in Gôteborg, en vooral in Genua waarin zelfs een dode viel. Het verzet van deze groepen richt zich niet alleen tegen de WTO maar ook tegen de andere internationale organisaties zoals het IMF (Internationaal Monetair Fonds) dat erover moet waken dat ieder land in financieel evenwicht is, en de WB (Wereldbank) die gunstige leningen bezorgt aan ontwikkelingslanden. Die worden gedemoniseerd als waterdragers van het Groot (Amerikaans) Kapitaal.
De eerste betekenis van globalisering, de groei naar een ‘wereldwijde vrije handel’ wordt vooral verdedigd door progressieve liberalen en door economisten. We kunnen hier de namen citeren van Mark Eyskens, onze eerste minister Guy Verhofstadt, en de journalist voor economische onderwerpen Jan Bohets (De Standaard). Zelfs de socialist Karel Van Miert is voorstander voor zover deze vrije handel aan wetten gebonden is. De argumenten pro worden op een goede manier verwoord in het boek ‘Marktzege(n)’ van de auteur Johan Van Overtveldt, uitgeverij Pelckmans. Hun stelling is dat vrije handel niet alleen gunstig is voor de rijke landen maar ook voor de arme landen en zelfs de meest armen ter plaatse. Ze wijzen erop dat landen die hun grenzen hebben open gesteld (protectionistische maatregelen hebben afgebouwd) economische vooruitgang hebben gemaakt. Ze tonen dit aan met statistische cijfers. Behalve voor wat betreft de sterke mastodonten China en Indiê wordt deze optimistische stelling ontkend door de NGO’s. Bij het open stellen van de grenzen voor de vrije markt, zijn de kleine boeren (het merendeel van de bevolking in de ontwikkelingslanden) de dupe. Geheel de landbouw wordt overgenomen door de multinationale ondernemingen (o.a. Monsanto) die met de moderne biotechnologische middelen overschakelen op grootschalige exportlandbouw, terwijl de kleine boer in de werkeloosheid en armoede verzeilt en vlucht naar het proletariaat van de steeds aangroeiende steden.
Bij de voorstanders wordt deze argumentatie niet volledig aanvaard. De overgang naar ‘vrije handel’ kan aanvankelijk wel problemen inhouden, maar als ‘vrije handel’ momenteel nog niet voor iedereen positieve gevolgen heeft, is dit omdat er nog te weinig vrije handel is. Vooral het Westen (Europa maar ook de Verenigde Staten) draagt hier een zware schuld. De zware subsidiëring van de landbouw (o.a. suiker, katoen) heeft tot gevolg dat de ontwikkelingslanden met hun landbouwproducten niet op onze markten geraken. De rijke landen spenderen dagelijks een miljard dollar aan landbouwsubsidies. Een kilo suiker produceren in Europa kost bijvoorbeeld het dubbel van de kostprijs in een voor dit product geschikt ontwikkelingsland. De afbouw van deze subsidies is dan ook een van de belangrijkste onderwerpen die op de agenda staan van de volgende bijeenkomst van de WTO (Cancun, sept. 2003). Deze onderhandelingen zullen omwille van de belangen die op het spel staan zeer moeilijk verlopen. De ontwikkelingslanden hebben in deze ook het nadeel dat ze niet over hetzelfde niveau van onderhandelingsspecialisten beschikken als de rijke landen. Binnen de WTO tracht men hen hierin te helpen, maar het blijft voor hen zeer moeilijk, vooral voor de kleinere landen, om op te botsen tegen de gespecialiseerde teams van de ervaren Europese en Amerikaanse onderhandelaars.
Wij kunnen dan ook besluiten : een geglobaliseerde wereldmarkt of geen globalisatie het blijft een ingewikkeld en moeilijk onderwerp dat niet tot een zwart-wit oordeel kan herleid worden.
Lucas Gellynck
Gie Goris was hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Wereldwijd’ dat onlangs werd samengevoegd met het tijdschrift ‘De wereld morgen’ tot het maandblad M.O. (Mondiaal Magazine) samengevoegd bij het weekblad ‘Knack’. Men kan ook een afzonderlijk jaarabonnement nemen op het nieuwe maandblad voor de prijs van € 25 (redactiesecret. Meiboomlaan 33, 8800 Roeselare).