beginpagina

vorige pagina

JAARLIJKSE REIS NAAR HET ZWARTE WOUD  2-8 september

Niet gehinderd door de ochtendspits rijden we vlot door tot aan de Luxemburgse grens waar een kopje koffie en een ontbijt de laatste slaapflarden uit het hoofd verdrijven.

De volgende stop  is Saverne, in de Elzas. Een vriendelijke stad waar het Marne-Rijnkanaal doorloopt. Het kasteel, een imposant gebouw van rode zandsteen met een façade van 140 m  breed, 17de eeuwse huizen en vooral het oude klooster met mooie muurschilderingen krijgen onze aandacht.

 

Na een hapje en tapje, rijden we door  naar het einddoel van de dag : Oberwolfach-Walke, in het Zwarte Woud (de bosrijke streek gelegen in het zuiden van Duitsland, 200 km lang en 60 km breed).

Het bebloemde familie­hotel « Hirschen » in het Kinzigtal wordt sinds 1609 door de familie Junghanns uitgebaat.

Het hotel is ruim, net en van alle accommodaties voorzien.

Zuid-Duitsland houdt van tradities : de lekkere streekgerechten worden door diensters in kleder­dracht opgediend.

 

         “Oberwolf”                                                                                                                                                                            Houtsnijwerk in het hotel  

De volgende dag, wandelen we, onder leiding van een gids, rond in de grootste schat van het Zwarte Woud : de natuur ! We komen langs eenzame boerderijen waar de bewoners nog volledig voor hun eigen onderhoud en dat van hun kleine veestapel moeten instaan. 

Berucht is de sterke drank die ze stoken uit pruimen, mirabellen of peren en die de mensen door de lange winter helpt. Ook het «  Kirschwasser » wordt niet alleen gedronken maar eveneens in gerechten  en in de beroemde « Schwarzwälder Kirschtorte » gedaan.

Houtvesterij en houtsnijwerk geven de bewoners kans om hun boterham te verdienen.

Tijdens de wandeling zien we prachtige vergezichten en zonovergoten bergflanken. Hier, verscholen tussen hoge naaldbomen, ligt het laatste nog in werkingzijnde bergwerk van het Zwarte Woud, de groeve « Clara ». Er wordt nog voornamelijk zwaar- en rivierspaat gewonnen.

Na nog wat stijgen en dalen staan we plots aan een Vesperstube, wat wil zeggen een eetchalet. Mijnheer Junghanns sr. en zijn personeel hebben voor ons, hongerige wandelaars, een vespermaaltijd klaar gezet om U tegen te zeggen. Hespenspek, pâté, droge- en gerookte ham, verschillende worstensoorten, tussenrib, sla, tomaten, augurken en ovenvers brood uitgestald op houten planken  liggen uitnodigend op ons te wachten. Al die heerlijkheden kunnen we gezellig (en tot groot jolijt van de vele wespen) buiten eten en als bonus hebben we een schitterend uitzicht op al het natuurschoon rondom ons.

Voldaan rijden we door naar het fraaie dorp Schiltach, gesticht in de 13 de eeuw en gebouwd langs een vroegere Romeinse heirbaan. De  fraaie vakwerkhuizen zijn dicht tegen de slotberg aangebouwd en we moeten dan ook heel wat trappen op en af (net wat we nodig hebben om onze stevige vespermaaltijd te doen verteren).

Schiltach was lang een bolwerk van de leerlooierij. Nog belangrijker was echter de houtvlotterij. De vlotters brachten langs de rivier hun vlotten tot op de Rijn. Vandaar werd het hout tot zelfs in Amsterdam vervoerd waar de mooiste, gelijkmatig dikke en rechte stammen (Holländer genoemd) dienden als masten voor de Hollandse vloot of huizenbouw. In het Schüttesägemuseum kunnen we de restanten zien van de vroegere houtverwerking.

 We brengen ook een bezoek aan het originele « Apothekenmuseum » waar de eigenaar aan de hand van een reusachtige collectie een overzicht geeft van de farmaceutische ontwikkelingen van de Biedermeiertijd tot nu. De herkenningskreten over  pilletjes, potjes en zalfjes uit onze jeugdjaren zijn dan ook niet uit de lucht.

 Tijd om terug naar ons hotel te rijden waar we in de Weingarten met een glas wijn of « Holunder = vlierbloesemwijn » de opgedane indrukken van de dag kunnen doorspoelen.

 

Dag 3 is het tijd om even tussen het gewone volk vandaan te blijven en ons te begeven naar de vergane glorie van één der voornaamste vorstengeslachten van Europa. The place to be : het kasteel van Hohenzollern. Het heeft zijn naam niet gestolen, hoog op een heuvel ligt het in de zon te pronken. In 1850 liet Frederik-Willem het voorouderlijk kasteel, imposant in neogotische stijl heropbouwen. Met een pendelbusje zoeven we de steile hellingen op. Eens boven, ontrolt zich een prachtig panorama. De uiteinden van het Zwarte Woud overgaand in de vlakte van de Neckar en dan weer stijgend naar de Schwabische Jura. Op reuzengrote vilten pantoffels slieren we, in het kasteel, als volleerde ijsdansers, van pompeuze zalen naar pronkerige salons en door eindeloze lange gangen. In de schatkamer zien we nog voorwerpen en flarden van de overgebleven grandeur van de eens zo gevreesde Pruissische heersers.

Tijdens het bezoek aan de oudste stad van Baden-Würtemberg, Rottweil, worden de talloze kunsthistorische bezienswaardigheden ons met veel flair en enthousiasme door een Antwerpse gidse getoond. Aan de zwarte toren vertrekt tot op heden, op carnavalsmaandag, de Rottweiller « Narrensprung ». Zo’n tweeduizend Narren, in authentieke kostuums en met prachtige papier-mâché maskers op, palmen dan de stad in.

De kerktoren, na de stadsbrand rond 1500 vlug-vlug heropgebouwd, trok, door het niet volledig gedroogde hout, scheef  en is nu een tegenhanger van de toren van Pisa.

Aan de veeboeren van deze stad hebben we het robuuste hondenras « de rottweiller » te danken. Zij kregen, na het veedrijven, als de boeren hun vee op de jaarmarkt, aan de beenhouwers  doorverkochten, het opgebrachte geld veilig rond hun brede nek gebonden. Geen onverlaat of beurzensnijder durfde ook maar één vinger uitsteken naar woef, zelfs niet als de baas stomdronken naast zijn hond in de goot lag te slapen. Een vroege vorm van « securitas ».

Rottweil blijft ons bij als één van de mooiste Schwabische rijkssteden.

 Na het avondeten worden we in de tuin van het hotel vergast op een avond « Blaaskapelle »muziek. De muzikanten in klederdracht van de streek blazen en roffelen opgewekte deuntjes de frisse avond in. Een mooie afsluiter van een prachtige dag.

Dag 4 zal een ontdekken worden van een deel der oudste toeristische autoroute : de « Schwarzwald Hochstraße ». Gedurende het grootste deel van de tocht bevinden we ons tussen de 700 en 1100 m hoogte. De weg slingert zich door berg en dal. Telkens we weer op een hoogte komen ontrollen zich prachtige vergezichten. Op vele plaatsen dragen de bergflanken nog littekens van de vreselijke winterstorm van december 1999. Toen raasde de orkaan « Lothar » (eindelijk werd eens een mansnaam gegeven aan zoveel natuurgeweld !) met een vernietigende windkracht rond 200 km per uur over het land. In 2 uren viel ca 30 000.000 m3  hout ten gronde. Geknakte en versplinterde boomstammen getuigen nog altijd van dit onheil. Om ons te overtuigen dat het Zwarte Woud, ondanks deze ravage, echt wel een parel is zingt Regina, vol overtuiging «  es steht eine Mühle im Schwarzwälder Tal ».

Wat later begint voor ons de klim naar de Mummelsee. Het grootste (3,7 ha) en hoogste gelegen (1029 m) meer van het Zwarte Woud. Op de smalle, kronkelige weg ontmoet Bob tot zijn ontzetting hele hordes wielertoeristen die met ware doodsverachting op hun koersfietsen de 9 km lange afdaling van de Mummelsee afracen. Meer dan eens heeft Gust een halve hartstilstand, denkend dat zo ’n bolide door de vooruit van de bus zal knallen en op zijn schoot zal belanden.

We komen echter zonder ongelukken boven en maken een rustige wandeling rond het bergmeer uit de ijstijd. De weerspiegeling van de naaldbomen in het diepzwarte water levert stof voor prachtige foto’s op. We toeren verder en wandelen wat later naar de indrukwekkende kloosterruïnes van Allerheiligen. In het rustig groen decor van het woud beginnen we aan de afdaling van de waterval. 232 trappen later staan we aan de voet van het spetterende water dat verder zijn weg zoekt tussen bomen en rotsen.

 Na wat natuurschoon is het tijd om Freudenstadt te ontdekken. Op de grootste « Marktplatz » van Duitsland (5 ha en 220 m lang en breed) omzoomd met zijn beroemde arcades; kunnen wij, toeristen in de talloze winkels onze euro’s kwijt raken.

Dag 5, voert Bob ons naar Alpirsbach waar we een rondleiding krijgen in de voormalige Benediktijnenabdij met haar indrukwekkende kloosterkerk, gesticht in 1095 en opgetrokken in de rode zandsteen van de streek. De kloosterbrouwerij laten we links liggen. Wie kan óns Leuvenaars nog iets leren over soorten bier of bier brouwen ?

In Schramberg, de kleine stad, ingebed tussen 5 dalen, is het niet verwonderlijk dat we het Stadtmuseum bezoeken. In deze stad  was immers rond 1900 de zetel van de grootste klokkenfabriek ter wereld gevestigd « Junghans ». Klokken in alle vormen, maten en gewichten tikken, takken, beieren, koekoeken en slagen de uren dat het een lieve lust is. Het neusje van de zalm is de meer dan 4 m grote kunstklok die Junghans voor de wereldtentoonstelling in 1900, in Parijs, ontwierp.

Om nog eens van de mooie natuur te genieten stapt, tijdens de terugtocht, een deel van de groep uit de bus en wandelt langs het « vogelpad » door het bekoorlijke landschap tot aan het hotel.

 De volgende zondagmorgen krijgen we een surplus : wegens de kerkwijding in Oberhammersbach heeft er daar een grote jaarmarkt plaats. Dus niet getreurd dat we die van Leuven missen. We dompelen ons onder in de vrolijke sfeer van taterende marktkramers en hop... daar rollen weer wat euro’s.

In Zell am Hammersbach, een charmant stadje, flaneren we tussen de vakwerkhuizen, mooie fonteinen en grappige standbeelden. Ook het Zellerkeramik uit het oudste porceleinfabriek van Duitsland kan velen bekoren. Het motief van de « zwarte haan en hen » op een knalgele achtergrond is sinds 1898 een begrip geworden op serviezen en vaatwerk.

In het stadje Wolfach kuieren we rond in de verkeersvrije hoofdstraat. Ook hier vinden we resten van het vroegere vlottenambacht. Niet ver hier vandaan ligt één van de drie oorsprongstadjes van de wereldberoemde « bollenhoed ».

 ‘s Avonds vergasten Jules en Fernande ons op een lekker aperitiefje naar aan­leiding van hun 50ste huwelijksverjaardag. We heffen met plezier het glas op hun volgende 50 jaar.

 Dan is de dag van de terugreis aangebroken. Onderweg brengen we nog een bezoek aan de stad Freiburg. De domkerk is een van de grootste gotische kerken van Duitsland met een prachtige filigrane toren en is tijdens de oorlog bij een luchtaanval voor 80% verwoest maar weer zorgvuldig hersteld, evenals de binnenstad van deze metropool.

Tijd om verder te rijden naar onze middaghalte in Fouday, Frankrijk, waar we tijdens een gezamenlijke maaltijd kunnen praten over deze geslaagde en aangename reis.

Dankzij Bob komen we veilig thuis. Zoals gewoonlijk plamuurde Gust het gat in onze cultuur. Hij liet ons de vele gezichten van het Zwarte Woud ontdekken.

Afspraak dus op een gezellig samenzijn, waar we foto’s en ook dia’s van onze fotograaf Jules, kunnen bewonderen en prettige herinneringen ophalen.

vorige pagina

beginpagina